Voor het werk ‘De kunstenaar’ heeft Wim Caus (1955) zijn eigen gezichtstrekken gebruikt. Het is de vraag of we hier met een zelfportret te maken hebben of meer met een werk dat een ‘abstracte’ gedachte over het kunstenaarschap tot uitdrukking brengt. In ‘De kunstenaar’ krijgt het op een zuil geplaatste hoofd iets verhevens. Alsof de kunstenaar op een voetstuk geplaatst dient te worden. Een gedachte die tegelijkertijd wordt gerelativeerd door het seriematige, het inwisselbare van de zestien hoofden. De zestien mannenhoofden zitten in een berkenhouten kist met op de voorzijde de titel van het werk.